Een grote Canadese studie toont aan dat aspirine op een efficiënte en goedkope manier trombo-embolische complicaties bij heup- en knieprothesen helpt te voorkomen.
De Deense nationale registers leren welke factoren correleren met een hoger risico op revisie, infectie en overlijden.
Een studie die is uitgevoerd om na te gaan welke factoren een onafhankelijke voorspellende waarde hebben wat een vroeg herstel van de beweeglijkheid betreft bij bejaarden na een heupfractuur, bevestigt het gezegde: “Je moet nooit proberen het onderste uit de kan te halen.”
Het antwoord op deze vraag hangt af van meerdere factoren: de leeftijd, het serumalbuminegehalte voor de interventie, concomitante viscerale metastasen…
[Afdeling Orthopedie, AZ Monica, Antwerpen] Gepigmenteerde villonodulaire synovitis (pigmented villonodular synovitis, PVNS) is een idiopatische, traag groeiende, benigne en lokale zwelling van het synovium. De knie is het frequentst aangetast, maar ook andere gewrichten worden getroffen...
[1. Student Geneeskunde, KU Leuven; 2. Dienst Radiologie, AZ Sint-Maarten, Duffel-Mechelen; 3. Dienst Radiologie en Medische Beeldvorming, UZ Gent; 4. Dienst Radiologie, UZ Antwerpen] Subchondrale stressfracturen zijn fracturen die ontstaan net onder het gewrichtsoppervlak. Meerdere factoren kunnen een rol spelen in de etiopathogenese van het letsel, waaronder een meniscectomie. Vroegtijdige diagnose bepaalt de prognose. Published ahead of print.
[1. Student Geneeskunde, KU Leuven; 2. Afdeling Radiologie, AZ Sint-Maarten, Duffel-Mechelen; 3. Afdeling Radiologie, UZ Antwerpen, UA; 4. Afdeling Radiologie, UZ Gent, UGent] Deze casus beschrijft het klinisch beeld en beeldvorming van een 13-jarig sportief meisje met een freiberginfractie. De ziekte van Freiberg is een osteochondrose van de metatarsaalkop, die vooral sportieve adolescente vrouwen aantast. Meestal is er geleidelijk opgekomen pijn ter hoogte van de aangetaste metatarsaalkop. MRI toont reeds in de vroegste stadia afwijkingen, terwijl klassieke radiografische opnames pas later de afwijking in het licht stelt. Published ahead of print.
[1. Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen, UGent; 2. Afdeling Radiologie, AZ Sint-Maarten, Duffel-Mechelen; 3. Afdeling Radiologie, UZ Antwerpen, UA; 4. Afdeling Radiologie en Medische Beeldvorming, UZ Gent] De musculus sternalis is een accessoire spier van de ventrale thoraxwand. Ze bevindt zich parasternaal en kan zowel unilateraal als bilateraal voorkomen. De musculus sternalis is meestal asymptomatisch, doch sommige patiënten presenteren zich met een pijnloze zwelling aan de borstkas. Het is belangrijk deze variant niet te verwarren met een weekweefseltumor. Op basis van de typische locatie, de oorsprong en de insertie kan men aan de hand van beeldvorming de correcte diagnose stellen. Biopsie, en zeker heelkunde, moeten vermeden worden. Published ahead of print.
Een schouderluxatie naar achteren wordt vaak miskend. Nauwkeurige analyse van (vaak subtiele) radiografische tekens is noodzakelijk om een correcte diagnose te stellen. Na reductie van de ontwrichte schouder zal de clinicus vaak een CT- en/of MR-artrografisch onderzoek aanvragen om eventuele beenderige en capsulolabrale letsels in kaart te brengen...
In dit artikel wordt de waarde van het MR-onderzoek benadrukt in de uitwerking van een brodieabces. Een brodieabces is de meest voorkomende vorm van subacute osteomyelitis. In tegenstelling tot de acute en chronische vorm van osteomyelitis, staan de klinische en biochemische tekenen van infectie minder op de voorgrond, waardoor er voor de beeldvorming een belangrijke rol is weggelegd in het stellen van een correcte diagnose. Standaardradiografie en computertomografie (CT) tonen een ovaalvormig osteolytisch letsel, meestal gelokaliseerd tegenaan de metafyse, soms met doorbraak naar de epifyse. Omdat de infectieuze oorzaak van het osteolytische letsel niet steeds eenduidig is op standaardradiografie, zal vaak een aanvullend onderzoek door magnetische resonantie (MR) uitgevoerd worden. Het “penumbra-teken” op T1-gewogen opnames is immers een zeer specifiek teken van een brodieabces. Dit maakt het de verwijzende arts mogelijk om een correcte behandeling in te stellen.
Sinds Avatar, James Camerons film in 3D-zicht, de wereld veroverde, lijkt ook de medische wereld de vruchten te plukken van deze innovatieve technologie. De industrie ontwikkelde namelijk systemen voor 3D-chirurgie die intussen worden gebruikt voor verschillende types heelkundige ingrepen. Dat schrijft Greta McLachlan in The Lancet.
Sinds de jaren 1980 kwam artroscopie van de enkel en voet langzaam maar zeker tot ontwikkeling, wat geleid heeft tot minder ingrijpende – maar daarom niet minder efficiënte – chirurgische procedures. Niet enkel het uitruimen van gewrichten en behandelen van osteochondrale letsels behoren tot de mogelijkheden, de indicaties werden ook uitgebreid tot het artroscopische fusioneren van gewrichten: na de enkel en de grote teen wordt sinds enige jaren ook het subtalaire gewricht op deze manier gefixeerd. De voordelen van deze techniek in vergelijking met de klassieke open chirurgie worden hier verder beschreven.
Discussie en perspectieven
Epidemiologische gegevens over de incidentie van een aandoening kunnen heel nuttig zijn om te voorspellen hoe groot het probleem in de toekomst mogelijk wordt. In België dateerden de laatste gegevens in verband met de incidentie van heupfracturen van de jaren negentig. Toen werd een gemiddelde jaarlijkse toename van 2,07% bij vrouwen vastgesteld...
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] Bij een ernstige hemofilie treden typisch gewrichtsbloedingen op. Hemartrose wordt klassiek niet waargenomen bij patiënten met stoornissen van de primaire hemostase, zoals aandoeningen van de bloedplaatjes en von Willebrandfactordeficiëntie. Alleen patiënten met een volledige von Willebrandfactordeficiëntie lopen een risico op hemartrose en die wordt in de hand gewerkt door het tekort aan factor VIII als gevolg van afwezigheid van von Willebrandfactor.
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] In tegenstelling tot stoornissen van de primaire hemostase (trombopathie, trombopenie, von Willebrandfactordeficiëntie), die gekenmerkt worden door bloedingen van de huid en de slijmvliezen, ontwikkelen patiënten met hemofilie diepe bloedingen, vooral in de spieren en de grote gewrichten. Negentig procent van de bloedingen bij patiënten met een ernstige hemofilie betreft de spieren en het skelet en 80 procent de gewrichten (4). Doorgaans gaat het om een spontane gewrichtsbloeding, die optreedt zonder dat er een duidelijke oorzaak kan worden achterhaald, en gewoonlijk wordt telkens maar één gewricht aangetast. Patiënten met ernstige hemofilie ontwikkelen de eerste gewrichtsbloedingen als ze het bewegingsapparaat zwaarder gaan belasten, dat wil zeggen als ze leren lopen. Patiënten met ernstige hemofilie die niet worden behandeld, kunnen tot 30 gewrichtsbloedingen per jaar vertonen.
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] Bij een patiënt met hemofilie moeten altijd de spieren en de gewrichten worden onderzocht en dat kan dan als basis dienen voor de verdere ambulante follow-up (2). Het wordt aanbevolen de gewrichten van patiënten met hemofilie om de zes maanden te evalueren bij kinderen en minstens om het jaar bij volwassenen.
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] Chirurgie bij hemofiliepatiënten vereist voorzorgsmaatregelen die absoluut moeten worden gerespecteerd. Bij chirurgische behandeling moet een substitutiebehandeling worden toegediend. De ingreep moet worden uitgevoerd door een ervaren chirurg, in een centrum dat beschikt over specifieke vaardigheden voor de behandeling van hemofiliepatiënten om de substitutiebehandeling dagelijks op te volgen en indien nodig aan te passen. Deze multidisciplinariteit is absoluut noodzakelijk om het succes van de chirurgische ingreep te garanderen.
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] Chirurgische ingrepen moeten worden voorbehouden voor patiënten met ernstige gewrichtsaantasting, bij wie conservatieve maatregelen geen effect hebben. Bovendien moeten de voordelen van chirurgie opwegen tegen de complicaties die ze kunnen veroorzaken (infecties, neuropathie en hemorragieën).
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] Hematomen zijn een andere belangrijke complicatie van hemofilie (6). Die hematomen treden niet spontaan op, maar doorgaans na een trauma, soms zelfs na een miniem trauma.
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] Het is wenselijk om elke patiënt met ernstige hemofilie te laten opvolgen door een hemofiliespecialist, a rato van één tot twee consultaties per jaar. Voor patiënten met een matige of geringe deficiëntie zijn jaarlijkse controlebezoeken eveneens onontbeerlijk.
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] In de acute fase bestaat de eerste therapeutische interventie uit het injecteren van stollingsfactor, en dit binnen twee uur na het begin van de hemorragische episode. De doorgaans aanbevolen dosis stollingsfactor bedraagt 25 tot 40IE/kg FVIII en 50IE/kg in het geval van ernstige hemartrose (2). Meestal zijn meerdere injecties noodzakelijk. De 2-3 eerste dagen wordt het gewricht in functionele positie geïmmobiliseerd. Compressie met een rekverband om de zwelling te verminderen en herhaaldelijke lokale applicatie van koude zijn doeltreffende maatregelen. Koude veroorzaakt vasoconstrictie en beperkt zo de uitbreiding van de bloeding; het vermindert ook de pijn. Het is aanbevolen om de ijszak 5 tot 10 minuten op het gewricht aan te brengen, 3-4 maal per dag. Direct contact met de huid moet worden vermeden.
[Christophe Demoulin 1-3, Marc Marty 3,4, Stéphane Genevay 3,5, Marc Vanderthommen 1,2, Genevève Mahieu 2,3,6, Yves Henrotin 1,2,3,7 - 1. Department of Sport and Rehabilitation Sciences, University of Liège, Belgium. 2. Belgian Back Society (BBS). 3. Section Rachis de la Société Française de Rhumatologie (SFR). 4. Division of Rheumatology, Henri-Mondor Hospital, University of Paris 12, France. 5. Division of Rheumatology, University Hospital of Geneva, Switzerland. 6. Back Unit, Dinant Hospital Centre, Belgium. 7. Bone and Cartilage Research Unit, University of Liège, Belgium] De eerste rugschoolprogramma’s voor patiënten met lagerugpijn dateren van eind jaren 60. Volgens de Europese aanbevelingen, kunnen ze op korte termijn een heilzaam effect hebben bij de behandeling van de patiënten (1). Over de vraag of ze ook lagerugpijn en al haar kwalijke gevolgen kunnen voorkomen, bestaat meer controverse (2). Daarom werd de efficiëntie van rugschoolprogramma’s (die vooral zijn gebaseerd op het biomedische/biomechanische model) voor de preventie van lagerugpijn onderworpen aan een literatuuronderzoek. Negen gerandomiseerde en gecontroleerde studies werden geïdentificeerd: allemaal hadden ze betrekking op een preventieve interventie op de werkplaats, met grote verschillen qua inhoud en duur. Het gemiddelde niveau van de kwaliteit van de methodologie was laag (5,1/12) en de meeste studies werden slechts uitgevoerd bij een beperkte steekproef. Hoewel in acht van de negen studies geen enkel significant verschil werd gerapporteerd in de incidentie van lagerugpijn, functionele ongeschiktheid en het aantal dagen arbeidsongeschiktheid tussen de groep die een rugschoolprogramma volgde en de controlegroep, kunnen we door de lage methodologische kwaliteit van deze studies niet definitief besluiten dat deze programma’s niet efficiënt zijn. Published ahead of print.
Patellofemorale kraakbeenletsels maken volgens de literatuur 20 tot zelfs 40 procent uit van de gediagnosticeerde kraakbeenletsels tijdens artroscopie, naast de grote groep van letsels op de femorale condylen. Ongeveer 10 procent van al deze letsels komt in aanmerking voor behandeling met transplantatie van autologe chondrocyten (Autologous Chondrocyte Implantation, ACI). Uit recent onderzoek blijkt dat kraakbeenletsels op de femurcondylen bij jonge mensen die nog maar vrij recent symptomen ontwikkeld hebben, statistisch significant en meer nog klinisch relevant beter reageert op ACI met een gekarakteriseerd product (Characterized Chondrocyte Implantation: CCI) dan op microfractuur, de huidige eerstelijnsbehandeling. Voor deze populatie van patiënten zou ACI de eerstelijnstherapie moeten worden. Voor patellofemorale kraakbeenletsels zijn er eveneens zeer veel data in de literatuur die suggereren dat ACI een duurzame behandeling is, ook op lange termijn. Daarnaast is er voor de letsels op de patella op dit moment geen valabel biologisch alternatief aanwezig. Het is mogelijk om ook in deze zeer uitdagende patiëntengroep goede resultaten te halen bij 75 procent van de patiënten, mits bijkomende anatomische factoren in acht genomen en behandeld worden, die verantwoordelijk zijn voor het malalignement van het strekapparaat bij deze patiënten. Published ahead of print.
Een gekwantificeerde of kwantitatieve loop- of ganganalyse is een onderzoek waarmee loopstoornissen van neurologische, orthopedische en reumatologische oorsprong objectief kunnen worden aangetoond en gedocumenteerd. Het onderzoek wordt vaak gebruikt in de analyse van stoornissen in de motoriek als gevolg van infantiele encefalopathie (cerebral palsy) om de effecten te meten van injecties met botulinetoxine, tijdens multisite-operaties of voor het ontwikkelen van prothesen. Een loopanalyse wordt ook steeds vaker gevraagd in de orthopedie en de reumatologie om loopstoornissen te kwantificeren in moeilijke gevallen of bij onderzoek door medisch-gerechtelijke deskundigen. Een kwantitatieve loopanalyse impliceert de integratie van verschillende gegevens: kinematiek, kinetiek, elektromyografische activiteit en zelfs dynamische voetafdrukken. De interpretatie van ganganalyseverslagen is echter vaak moeilijk; zonder ondersteuning van een specifieke methodologie voor het domein blijft ze dode letter. In dit artikel wordt de methodologie besproken die in de klinische praktijk wordt gehanteerd.
De meest geschikte aanpak bij de patiënt met een acute patellaluxatie is afhankelijk van verschillende factoren. Verschillende opties zijn voorhanden, zowel conservatief als operatief. Het is daarom voor de behandelende arts niet altijd eenvoudig om de meest geschikte strategie te bepalen voor zijn patiënt. In ons centrum hanteren we daarom sedert enkele jaren een specifiek behandelingsalgoritme dat voor de behandelende arts als leidraad kan dienen. Ons algoritme is gebaseerd op een differentiatie van de behandeling afhankelijk van de skeletale maturiteit van de patiënt, de aanwezigheid van kraakbeenletsels en de aanwezigheid van specifieke risicofactoren voor recidiefluxatie. Published ahead of print.
Wij denken dat de auteurs van “Behandeling van voorste kruisbandletsels: moeten we altijd opereren?” op een aantal punten de bal volledig misslaan...
Een vrijere transfusiestrategie na het plaatsen van een heupprothese vermindert de sterfte of invaliditeit niet meer dan een restrictieve strategie bij oudere patiënten met een hoog cardiovasculair risico. Tot die conclusie komen Amerikaanse onderzoekers. Hun resultaten schreven ze neer in het New England Journal of Medicine.
In dit artikel benadrukken wij de waarde van MRI bij de evaluatie van letsels van het (cervicale) ruggenmerg na een trauma. Wanneer er een klinisch vermoeden van ruggenmergletsel bestaat en de standaardradiografische opnamen of de CT-scan geen afwijkingen tonen, moet een MRI-onderzoek worden uitgevoerd om de diagnose te bevestigen.
Een kwantitatieve gang- of loopanalyse (KLA, QGA, quantitative gait [motion] analysis) is een onderzoek waarin gegevens uit opto-elektronische systemen, krachtplatformen, video-opnames, elektromyografie en soms dynamische systemen voor plantaire barometrie of zuurstofconsumptie worden samengelegd...
Baron Guillaume Dupuytren heeft deze aandoening met vingercontracturen in 1831 uitvoerig besproken en was de eerste om ze ook heelkundig te behandelen...
Het ‘normale’ looppatroon is in de literatuur uitgebreid beschreven. Eerst is het globaal beschreven en werden de zes strategieën om verplaatsingen van het zwaartepunt te beperken uitgebreid besproken, met vermelding van de energiekost van dit looppatroon...
Mannelijke orthopedisch chirurgen zijn niet alleen sterker maar blijkbaar ook slimmer dan hun mannelijke collega’s anesthesisten… Dat besluiten althans de auteurs – zelf orthopedisch chirurgen - van een grappige studie gepubliceerd in het laatste BMJ-nummer van 2011, waarvan we de resultaten u toch niet willen onthouden. Het British Medical Journal wijdt tradioneel zijn laatste nummer van het jaar aan lichtvoetiger onderzoek.
Moeten we systematisch een operatie aanraden aan elke patiënt die zijn voorste kruisband (VKB) heeft gescheurd? Of kunnen we het probleem ook verhelpen met een conservatieve behandeling? Het antwoord op deze vragen vinden we dankzij een volledig literatuuroverzicht...
Binnen de kinderorthopedie kennen we aandoeningen die spontaan verdwijnen met de groei en waarvoor dus geen behandeling opgestart moet worden; daarnaast zijn er echter ook aandoeningen die bij het ouder worden meer uitgesproken worden en – om dit te vermijden – best op jonge leeftijd behandeld worden. Het onderscheid maken tussen ernstige en banale aandoeningen is dus cruciaal. Binnen de context van deze tekst is het niet mogelijk in te gaan op zeldzame aandoeningen, maar zal vooral het beleid van de meer frequente aangeboren en verworven aandoeningen toegelicht worden. 3. Teenafwijkingen
Een van de meest voorkomende problemen waarmee u zult worden geconfronteerd in uw praktijk is heupdysplasie. Een korte samenvatting van dit ziektebeeld wordt gegeven met de focus op vroege diagnostiek. Vervolgens zullen enkele deformiteiten van de onderste ledematen worden besproken. Het doel van dit artikel is niet om een volledig overzicht te geven van alle afwijkingen, maar om als leidraad te dienen waarmee u in veel gevallen de fysiologische deformiteit van de pathologische kunt onderscheiden.
Binnen de kinderorthopedie kennen we aandoeningen die spontaan verdwijnen met de groei en waarvoor dus geen behandeling opgestart moet worden; daarnaast zijn er echter ook aandoeningen die bij het ouder worden meer uitgesproken worden en – om dit te vermijden – best op jonge leeftijd behandeld worden. Het onderscheid maken tussen ernstige en banale aandoeningen is dus cruciaal. Binnen de context van deze tekst is het niet mogelijk in te gaan op zeldzame aandoeningen, maar zal vooral het beleid van de meer frequente aangeboren en verworven aandoeningen toegelicht worden. Eerste deel: Aangeboren voetafwijkingen
Valincidenten vormen een omvangrijk probleem in woonzorgcentra. Ongeveer 30 tot 70 procent van de ouderen valt één maal per jaar, waarvan 15 tot 40 procent meerdere keren valt (1).
Het ziekenhuis Mont-Godinne heeft een optische morfometer aangekocht. Met dit toestel kan onder meer scoliose worden gediagnosticeerd en behandeld. Het kan ook worden gebruikt bij onderzoek van allerhande vormen van rugpijn. Het toestel maakt driedimensionale beelden van het rugoppervlak. Zoals de naam aangeeft, berust de werking van het apparaat op optische processen; er worden dus geen röntgenstralen gebruikt.
Een gerichte aanpak van lagerugpijn in de eerste lijn, op basis van therapie die rekening houdt met de prognose, lijkt doeltreffend en kostenbesparend. Dat besluiten Britse onderzoekers uit een gecontroleerde gerandomiseerde studie die verscheen in The Lancet.
[16th International Symposium on Bone Circulation, Brussel, 12-13 januari 2012] De risicofactoren van femurkopnecrose zijn erg talrijk. Maar niet alle risicopatiënten ontwikkelen de aandoening. In die zin trachtte Lynne Jones (Baltimore) de hoogrisicopatiënten te identificeren.
[16th International Symposium on Bone Circulation, Brussel, 12-13 januari 2012] Osteonecrose van de kaak wordt gekenmerkt door een continuïteitszone in de mond die het necrotische bot blootlegt, of door een tandprobleem bij een patiënt onder bisfosfonaat dat aanhoudt ondanks een aangepaste behandeling. Bij atypische letsels is de diagnose soms moeilijk te stellen. Deze aandoening, die we pas sinds een tiental jaar aantreffen bij kankerpatiënten die intraveneus hoge dosissen bisfosfonaten krijgen toegediend (1), ontwikkelt zich ook onder denusomab. Over de pathogenese is nog weinig bekend. Waarschijnlijk houdt de aandoening verband met verschillende factoren en een vertraging van de botturn-over. Ook een ontsteking draagt er waarschijnlijk toe bij. Een stand van zaken met Ian Reid (Auckland) tijdens een sessie van de ARCO (Association Research Ciculation Osseous) die werd voorgezeten door Pr. Valérie Gangji (Erasmus, ULB).
Idiopathische scoliose komt voor bij perfect gezonde kinderen los van een ander pathologisch proces. Het is een progressieve pijnloze misvorming van de wervelkolom in de drie dimensies. De diagnose is gemakkelijk. Tijdens de groeiperiode is er een risico op verergering. Elke scoliose moet dus tijdens de volledige groeiperiode minstens twee keer per jaar bijzonder aandachtig worden gecontroleerd, klinisch (scoliometrie) voor lichte scoliose en radiologisch voor ergere scoliose.
Ortho-Rheumato Vol. 23 Nr. 1
Schrijf u gratis in op onze wekelijkse nieuwsbrief en ontvang het laatste nieuws en nog veel meer ...